Achtergrond

Polyfarmacie & Geneesmiddel Gebonden Problemen

Polyfarmacie komt steeds vaker voor, onder andere door een toename van het aantal patiënten met een chronische aandoening. In de praktijk kunnen zowel patiënten als zorgverleners knelpunten ervaren in de farmacotherapeutische zorgverlening.

Het HARM-onderzoek in Nederland toonde aan dat 5% van alle acute ziekenhuisopnames gerelateerd is aan het gebruik van een geneesmiddel. In bijna de helft van de opnamen ging het om vermijdbare problemen. Ook in België is dit probleem vastgesteld. Uit een studie in een Brussels ziekenhuis bleek dat ongeveer één vierde van de ziekenhuisopnames bij kwetsbare ouderen veroorzaakt werd door problemen met geneesmiddelen. Deze problemen kunnen optreden door het innemen van medicatie zonder indicatie, problemen met therapietrouw, interacties, contra-indicaties en/of onvoldoende monitoring. We definiëren deze problemen als Geneesmiddel Gebonden Problemen (GGPs).

Een GGP wordt gedefinieerd als een gebeurtenis of een situatie die met zekerheid of met grote waarschijnlijkheid gelinkt kan worden aan farmacotherapie en die het verwachte therapeutisch resultaat daadwerkelijk of mogelijk kan beïnvloeden2.

De belangrijkste risicofactoren voor het optreden van GGPs zijn – naast polyfarmacie – zijn multimorbiditeit, een verminderde cognitie, een verminderde nierfunctie, depressie, een verhoogd valrisico, een verminderde therapietrouw, niet zelfstandig kunnen wonen en een verminderde functionele status. Door identificatie en gerichte aanpak van GGPs kunnen hospitalisaties, morbiditeit en mortaliteit vermeden worden.

Voorkomen van GGPs door medicatienazicht met de GheOP³S-tool

Wanneer GGPs vroegtijdig worden opgespoord, zouden heel wat bijwerkingen vermeden kunnen worden. Ondanks dit stijgend besef, blijft de belangrijkste oorzaak – polyfarmacie – echter zeer frequent. Om polyfarmacie terug te dringen, zijn meerdere strategieën mogelijk. Een van de mogelijkheden is een periodiek medicatienazicht.

Een medicatienazicht is een “periodieke gestructureerde, kritische evaluatie van de medische, farmaceutische, en gebruiksinformatie van de farmacotherapie, waar zowel de patiënt, de huisarts en de officina-apotheker in betrokken zijn.

Het voorkomen, opsporen en tijdig remediëren van GGPs bij risicopatiënten via medicatienazicht vormt een belangrijke uitdaging voor de toekomst. Bij een medicatienazicht blijken drie partijen primair betrokken: de huisarts, de officina-apotheker en de patiënt. Door samen te werken en te overleggen wordt een zo veilig en doeltreffend mogelijke farmacotherapie bewerkstelligd. Het proces van een medicatienazicht bestaat uit 5 stappen en verloopt als volgt:

  1. Farmacotherapeutische anamnese: Naast het geneesmiddelengebruik worden ook de problemen, de bijwerkingen, de zorgen, de verwachtingen en de wensen rondom het geneesmiddelengebruik besproken met de patiënt. In dit programma neemt de officina-apotheker het op zich om de farmacotherapeutische anamneses af te nemen.

  2. Farmacotherapeutische analyse
    a) Voorbereiding: het verzamelen en ordenen van alle beschikbare gegevens
    b) Screening met de GheOP³S-tool (zie verder): de huisarts of officina-apotheker analyseert de gegevens d.m.v. een gestructureerde methode waarbij mogelijke GGPs worden geïdentificeerd. In dit programma krijgt de officina-apotheker de rol om de farmacotherapeutische analyse uit te voeren.

  3. Overleg tussen huisarts en officina-apotheker: opstellen van een voorlopig actieplan
    De officina-apotheker legt zijn bevindingen ter bespreking voor aan de huisarts. Samen bepalen zij de relevantie van de gedetecteerde items en leggen ze een prioriteitenlijst vast.

  4. Overleg met de patiënt: overleg met vastleggen van een effectief actieplan
    Na het vastleggen van een voorlopig actieplan, wordt dit overlegd met de patiënt. In dit programma neemt de huisarts het op zich dit patiëntoverleg uit te voeren én te documenteren. Hij dient ook de officina-apotheker te informeren over de besluitvorming.

  5. Follow-up en monitoring: De huisarts en officina-apotheker zijn beide verantwoordelijk voor het tijdig opvolgen en uitvoeren van de vastgelegde taken in stap 4.

De huisarts is binnen dit proces in staat een goede inschatting te maken van patiënten die in aanmerking komen voor een medicatienazicht. De huisarts is ook uitermate geschikt om de relevantie van GGPs, gedetecteerd door de officina-apotheker, in te schatten omwille van zijn inzicht in de medische achtergrond van de patiënt. De officina-apotheker is als farmaceutisch zorgverlener ideaal geplaatst om een farmacotherapeutische anamnese bij de patiënt af te nemen betreffende zijn medicatiegebruik. Daarnaast heeft hij als geneesmiddelexpert de nodige kennis om de daaropvolgende farmacotherapeutische analyse uit te voeren.

De patiënt staat centraal in zijn gezondheidszorg en wordt tijdens het medicatienazicht meermaals gecontacteerd. Het MFO draagt zo bij tot een zorg op maat van de patiënt.

Internationaal vs nationaal

Medicatienazichten worden vandaag al in heel wat landen toegepast, onder andere in Nederland, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en de Verenigde Staten. In Nederland werd de multidisciplinaire richtlijn ‘Polyfarmacie bij ouderen’ opgesteld, dewelke nog specifiek vertaald is voor apothekers naar de KNMP-richtlijn ‘Medicatiebeoordeling’. Sinds 1 juli 2015 worden zowel huisartsen als officina-apothekers gecontroleerd door de inspectie voor de gezondheidszorg om na te gaan of zij medicatienazichten op basis van deze richtlijnen uitvoeren. Studies in Nederland hebben aangetoond dat medicatienazichten uitgeoefend door apothekers in eerste lijn het aantal GGPs bij risicopatiënten doet verminderen.

In België wordt een uitgebreid medicatienazicht in de eerste lijn vrijwel nog niet toegepast. Volgens de literatuur ondervinden officina-apothekers hierbij een aantal barrières die implementatie ervan belet. Deze barrières zijn onder andere een moeilijke gegevensuitwisseling tussen zorgverleners en tijdsgebrek. Echter deze laatste blijkt niet onoverkomelijk indien een correcte financiële vergoeding voorzien wordt. Ook wordt vaak de onbeschikbaarheid van een geschikte screening tool aangehaald als barrière.

De GheOP³S-tool

De reeds bestaande screening tools (Beers, STOPP/START etc.) zijn niet bruikbaar om te integreren in het proces van medicatienazicht, zoals voorgesteld in dit MFO-programma. Ze vereisen inzage in klinische parameters en diagnoses, zijn zeer uitgebreid en vaak niet aangepast aan de eerste lijn. Daarom ontwikkelde de Eenheid Farmaceutische Zorg de Ghent Older People's Prescriptions community Pharmacy Screening (GheOP³S)-tool, een screening tool, specifiek voor gebruik in de Belgische setting. Belangrijk om op te merken, is dat de GheOP³S-tool, net als elke andere screening tool, mogelijke GGPs (mGGPs) opspoort. We spreken maar van effectieve GGPs op het moment dat de officina-apotheker overlegd heeft met de huisarts en/of de patiënt en het GGP bevestigd werd.